Image

Tips voor een optimale oogst

Een moestuin starten is niet moeilijk, maar je dient wel met een paar factoren rekening te houden. Een juiste plek bijvoorbeeld, met veel zonlicht en beschut tegen de wind. Maar ook de grondsoort bepaalt voor een deel jouw moestuinsucces. Gelukkig kun je veel factoren sturen, zoals water, voeding en structuur. Wij geven je informatie en tips voor een optimale oogst!


Zand, klei en veen

Wanneer je een eigen moestuin begint, is het goed om te weten welke soort grond je in jouw tuin hebt. In Nederland heb je drie verschillende soorten: zand-, klei- en veengrond. Echter is de meest voorkomende een mengsel van deze drie. Alle drie de soorten hebben andere kenmerken.

Zandgrond
Zand bestaat uit kleine steentjes waar veel lucht tussen zit. Hierdoor houdt het minder goed voedsel en water vast, maar kun je er wel gemakkelijk in werken.

Kleigrond
Klei bestaat uit nog kleinere steentjes en zijn plat van vorm, waardoor er weinig lucht tussen zit. Hierdoor houdt klei water en voedsel goed vast. Een nadeel hiervan is de zwaarte. Je moet genoeg kracht in je armen hebben om erin te werken.

Veengrond
Deze grondsoort bestaat voor het grootste gedeelte uit plantenresten. Dit heeft een voordeel en nadeel. Het houdt namelijk heel goed water vast en er zit veel voedsel in, maar wanneer het uitdroogt, is het heel moeilijk weer vochtig te krijgen.


Welke soort grond heb jij?

Om erachter te komen welke soort grond jij hebt, kun je een check doen. Pak een handje grond en knijp er goed in. Wanneer het makkelijk uit elkaar valt, heb je zandgrond. Klontert het meer en kun je er een bolletje van maken? Dan heb jij kleigrond. Veengrond herken je aan de zwartbruine kleur en zit qua gevoel tussen de andere twee in.
Tip: Wanneer je vooral klei hebt, kun je hier het beste wat zand doorheen mengen, zodat het water gemakkelijker kan weglopen. Wanneer je voornamelijk zand hebt, kun je hier potgrond doorheen spitten.


Omspitten

In een moestuin wil je het liefst dat jouw grond goed voedsel en water vasthoudt. Daarnaast vinden groenten en veel kruidenplantjes het fijn dat de grond luchtig is. Dit kun je bereiken door de grond in het voorjaar om te spitten. Daarnaast kun je de grond verrijken met wat compost. Hiermee verhoog je de organische stoffen in de grond en krijg je een betere bodemstructuur.


Verschillende soorten bemesting

Gedurende het moestuinseizoen hebben sommige planten extra voeding nodig. Er bestaan verschillen de soorten bemesting. Kies wel altijd voor organische c.q. biologische bemesting.

Koemest- of kippenmestkorrels 
Gedroogde koemestkorrels zijn tegenwoordig in elk tuincentrum te koop en soms ook al in de supermarkt. De korrels zijn reukloos en gemakkelijk te hanteren. Ze zijn relatief rijk aan stikstof en kalium. Pas op met de dosering, vanwege het hoge stikstofgehalte. Volg de aanwijzingen op de verpakking of blijf daaronder. We kunnen in een teeltseizoen meermalen bemesten met koemestkorrels, werk ze lichtjes in rond de plant en geef ruim water.

Compost
Het verbetert de structuur van de grond, verhoogt het humusgehalte en levert ook nog wat voedingsstoffen voor planten en gewassen. Bovendien is het grote voordeel van compost dat het gratis is. Je gebruikt er je eigen groenafval voor. Voor wortelgewassen en peulgewassen is compost voldoende voor een heel seizoen. Voor koolgewassen en bladgewassen doe je er goed aan nog wat bij te mesten met bijvoorbeeld koemestkorrels. Groenten die veel voeding nodig hebben, zoals prei, kool, en andijvie, kun je extra bloedmeel (bron van stikstof) en/of beendermeel (bron van fosfaat) geven.

Brandnetelgier
Ook brandnetelgier kun je gebruiken als voeding voor je planten. Je kunt het heel makkelijk zelf maken, het kost alleen een beetje tijd. Voor gier gebruik je ongeveer 1 kg verse brandnetels op 10 liter water. Gebruik vooral de jonge bladeren en stelen, deze bevatten veel mineralen en verteren sneller. Roer het mengsel elke dag 1 of 2 keer door. Er zal zich schuim ontwikkelen vanwege het gistingsproces, en het kan behoorlijk stinken. Voeg eventueel wat gesteentemeel toe tegen de stank. Afhankelijk van de weersomstandigheden is je gier na ongeveer tien tot veertien dagen klaar.  Zeef het mengsel voor gebruik en verdun het ongeveer 10 keer. Dit is belangrijk want een te hoge concentratie kan giftig zijn voor je planten. Giet het verdunde mengsel bij de voet van de plant.

Deze planten houden van gier: augurken, bessenstruiken, courgette, fruitbomen, komkommers, kool, prei, pompoen, selderij, tomaat, zonnebloemen.
Bonen, erwten, peulen, uien en wortels houden niet van gier.
Tip: Ook luizen houden niet van brandnetelgier. Spray het over je planten en je zult minder last van luizen hebben. Doe dit alleen in de avond om verbranding van planten te voorkomen.

Groenbemesting
Als laatste kun je kiezen voor groenbemesting. Groenbemesters zijn gewassen of gewasmengsels die je in het late najaar kunt zaaien voor hun bodemverbetering en bemesting. Daarnaast kunnen ze ook de bodemstructuur verbeteren en beschermen ze de bodem en het bodemleven. Al deze voordelen zijn zeker de moeite die je ervoor moet doen waard, want je moet het zaaien, wieden en uiteindelijk in de grond werken. Dat laatste gaat het gemakkelijkst als je een gewas kiest dat niet tegen strenge vorst kan. Het is dan al redelijk vergaan als je in het vroege voorjaar gaat spitten. Gele mosterd, bladrammenas en rapen groeien snel, kunnen in september nog gezaaid worden en sterven in de winter af.


Deel dit artikel:

Gedurende het moestuinseizoen hebben sommige planten extra voeding nodig. Er bestaan verschillen de soorten bemesting. Kies wel altijd voor organische c.q. biologische bemesting.

Koemest- of kippenmestkorrels
Gedroogde koemestkorrels zijn tegenwoordig in elk tuincentrum te koop en soms ook al in de supermarkt. De korrels zijn reukloos en gemakkelijk te hanteren. Ze zijn relatief rijk aan stikstof en kalium. Pas op met de dosering, vanwege het hoge stikstofgehalte. Volg de aanwijzingen op de verpakking of blijf daaronder. We kunnen in een teeltseizoen meermalen bemesten met koemestkorrels, werk ze lichtjes in rond de plant en geef ruim water.

Compost
Het verbetert de structuur van de grond, verhoogt het humusgehalte en levert ook nog wat voedingsstoffen voor planten en gewassen. Bovendien is het grote voordeel van compost dat het gratis is. Je gebruikt er je eigen groenafval voor. Voor wortelgewassen en peulgewassen is compost voldoende voor een heel seizoen. Voor koolgewassen en bladgewassen doe je er goed aan nog wat bij te mesten met bijvoorbeeld koemestkorrels. Groenten die veel voeding nodig hebben, zoals prei, kool, en andijvie, kun je extra bloedmeel (bron van stikstof) en/of beendermeel (bron van fosfaat) geven.

Brandnetelgier
Ook brandnetelgier kun je gebruiken als voeding voor je planten. Je kunt het heel makkelijk zelf maken, het kost alleen een beetje tijd. Voor gier gebruik je ongeveer 1 kg verse brandnetels op 10 liter water. Gebruik vooral de jonge bladeren en stelen, deze bevatten veel mineralen en verteren sneller. Roer het mengsel elke dag 1 of 2 keer door. Er zal zich schuim ontwikkelen vanwege het gistingsproces, en het kan behoorlijk stinken. Voeg eventueel wat gesteentemeel toe tegen de stank. Afhankelijk van de weersomstandigheden is je gier na ongeveer tien tot veertien dagen klaar.  Zeef het mengsel voor gebruik en verdun het ongeveer 10 keer. Dit is belangrijk want een te hoge concentratie kan giftig zijn voor je planten. Giet het verdunde mengsel bij de voet van de plant.

Deze planten houden van gier: augurken, bessenstruiken, courgette, fruitbomen, komkommers, kool, prei, pompoen, selderij, tomaat, zonnebloemen.
Bonen, erwten, peulen, uien en wortels houden niet van gier.
Tip: Ook luizen houden niet van brandnetelgier. Spray het over je planten en je zult minder last van luizen hebben. Doe dit alleen in de avond om verbranding van planten te voorkomen.

Groenbemesting
Als laatste kun je kiezen voor groenbemesting. Groenbemesters zijn gewassen of gewasmengsels die je in het vroege voorjaar en/of late najaar kunt zaaien voor hun bodemverbetering en bemesting. Daarnaast kunnen ze ook de bodemstructuur verbeteren (mosterd) en beschermen ze de bodem en het bodemleven. Het zijn dus gewassen waarvan niets wordt geoogst. Al deze voordelen wegen zeker op tegen de nadelen: je moet het zaaien, wieden en uiteindelijk in de grond werken. Dat laatste gaat het gemakkelijkst als je een gewas kiest dat niet tegen strenge vorst kan. Zo’n gewas sterft midden in de winter af en is al redelijk vergaan als je in het vroege voorjaar gaat spitten. Gele mosterd, bladrammenas en rapen groeien snel, kunnen in september nog gezaaid worden en sterven in de winter af.